Vijfentwintig jaar na de dood van Luis Buñuel (1900-1983) haalt zijn oudste zoon Juan Luis (1934), zelf ook filmer, herinneringen op aan zijn legendarische vader. Verwacht van de zoon geen interpretaties van zijn vaders werk. Bij vragen over de betekenis van een film van Luis Buñuel of over diens plaats in de filmgeschiedenis haalt hij laconiek zijn schouders op. Hij vertelt liever verhalen.
door Gijs Mulder
Juan Luis Buñuel: ‘Er werd er bij ons thuis nooit over film gepraat. Toen mijn broer veertien jaar was, vroeg iemand eens: “Jouw vader maakt toch films, hè?” Mijn broer wist het eigenlijk niet zeker. Dat kwam misschien omdat mijn vader meestal thuis was. Hij was maar vier à vijf weken per jaar op pad voor een film.’
Wat deed u als kind samen met uw vader?
‘Schieten. Mijn eerste herinnering is dat ik bij mijn vader op schoot zat en dat hij met een windbuks bezig was. We mikten uit het raam op boombladeren. Toen zagen we mijn moeder met mijn dikke tante wandelen. Mijn vader, die wist dat zij een korset droeg, schoot haar toen tegen haar kont. Dat was mijn eerste schietervaring. Later in Mexico gingen we vaak samen naar de schietvereniging. Hij had een verzameling van tachtig à negentig pistolen en geweren.’
Nam hij u wel eens mee naar de film?
‘Nee, zelden. Hij ging niet zo graag naar de bioscoop vanwege zijn doofheid. Later nam ik hém wel eens mee naar de film. Naar de
eerste Beatles-film bijvoorbeeld, A Hard Day’s Night. Die vond hij erg goed.’
Maar hij had toch een hekel aan elektrische gitaren?
‘Die hoorde hij niet, denk ik. Maar de manier van filmen en de humor vond hij erg leuk.’
Er werd thuis dus niet over film gepraat, maar wel over politiek.
‘Ja. Jarenlang ging het alleen maar over de Spaanse Burgeroorlog. Soms werd ik om drie uur ’s nachts wakker en zat mijn vader nog met zijn vrienden te praten. ‘Als we Teruel maar hadden verdedigd, me cago en Dios…’ Toen hij oud was, hield het terrorisme hem erg bezig, dat heeft hij ook in zijn latere films verwerkt.’
Uw vader was atheïst, maar zijn katholieke verleden speelt een grote rol in zijn films.
‘Hij was een totale atheïst, laat je niets anders wijsmaken. Daar kwam ik achter toen ik elf jaar was. In Los Angeles zochten mijn
ouders zich een ongeluk naar een goede openbare school, maar die was er niet. In wanhoop stuurden ze me toen naar een katholieke school. Mijn klas ging de eerste communie doen. Ik moest een klein wit pakje aan en de meester zei: “Morgen krijg
je Christus in je mond, vraag maar aan je vader of hij je wil zegenen.” Ik naar mijn vader, maar die greep me vast, tilde me op
en zei: “Ik zal het doen, maar wee je gebeente als je dat aan mijn vrienden vertelt!” Ik snapte er als klein jongetje natuurlijk
niets van. Toen hij al oud was, kwamener wel eens dominicaner paters op bezoek. Ik kan me een tafereel herinneren dat net
leek op het slot van Tristana, met die paters die thuis bij Don Lope aan de warme chocola
zitten. Alleen dronken zij geen chocola maar dry martini. “Buñuel, wat vind je nou van Jezus Christus?”, vroeg een van die dominicanen. “Ach, die man is toch een grote idioot...” Hij zat Jezus helemaal af te kammen. “Máár... Maria daarentegen, die is
wel...” En dan volgde er een lofzang op Maria. Hij zat ze gewoon in de maling te nemen.’
Wat zijn uw herinneringen aan het moment dat u de eerste films van uw vader zag?
‘Toen ik 14 à 16 jaar oud was, liet mijn vader me thuis op een projectortje Un chien andalou zien. Ik wist niet goed wat ik ervan moest vinden. Ik was een typisch Amerikaanse jongen, film interesseerde me niet zo en ik had nog helemaal geen intellectuele belangstelling.’
Toch bent u zelf ook in de filmwereld terechtgekomen.
‘Op mijn negentiende ging ik studeren in Amerika. Daarna wilde ik verder gaan met Engelse literatuur. Die zomer, bij mijn ouders
in Mexico, zei een vriend van mijn vader: ‘Jij spreekt toch Engels en Spaans? Ik heb een baantje voor je als assistent van een Amerikaanse filmregisseur.’ Dat ik niets van film wist, deed er niet toe. Ik hoefde alleen maar te vertalen. Zo werd ik Orson Welles’ assistent bij Don Quixote. Voor de eerste klus die ik voor mijn vader deed, La fièvre monte à El
Pao, ging het net zo. Hij had een assistent nodig die Frans en Spaans sprak. Wie kon dat? Zijn zoontje.’
En zo werd u de assistent-regisseur van uw vader. Wat moest u zoal doen?
‘Ik repeteerde met de acteurs. Er zaten goede en slechte tussen. Bij The Young One (La joven) heb ik veel tijd moeten steken in het meisje dat de hoofdrol speelde. Ze kon er niet veel van. Bij La fièvre moest ik ervoor zorgen dat María Félix haar wenkbrauwen bewoog. Het werk voor Cet obscur objet du désir kwam erop neer dat ik in de gaten moest houden dat Serge Silberman en mijn vader op de set niet te veel dronken.’
U heeft gewerkt met regisseurs als Orson Welles, Louis Malle én Luis Buñuel. Waarin onderscheidde uw vader zich?
‘Hij was een groot vakman. Voor elke dag op de set had hij alles tot in de puntjes voorbereid. Camerastandpunten, camerabewegingen... Alles stond vast. Mijn vader werkte maandenlang aan een scenario, eindeloos schaven... Maar - en dat is een belangrijke les die ik van hem heb geleerd - als je alles goed hebt voorbereid, is er ruimte voor improvisatie.’
Hij was toch niet echt een perfectionist?
‘Jawel, hoor. Een voorbeeld: in Cet obscur objet du désir zit een scène waarin Fernando Rey en een andere acteur een café verlaten.
Daar zijn we uren mee bezig geweest, met vijftien verschillende camerastandpunten, de belichting... Toen we klaar waren, vonden alle technici het zo mooi! En als je het later terugziet, valt het nauwelijks op. Maar dat is juist goed. Je moet de techniek beheersen maar dat niet laten zien.’
Hij wordt erkend als een van de invloedrijkste filmregisseurs van de twintigste eeuw, toch is driekwart van zijn oeuvre onbekend.
‘Dat komt ook doordat al zijn films zijn geflopt. Het succes kwam pas met Belle de jour, toen was hij al 67. Hij vond dat succes maar
verdacht: “Er klopt iets niet, wat heb ik verkeerd gedaan? Het ligt vast aan de hoeren in de film.” Hij was niet blij als een film veel
succes had. Hij vond het wél leuk als zijn vrienden zijn films goed vonden.’
Er zijn biografen, zoals John Baxter en Gwynne Edwards, die op de psychoanalytische toer gaan en suggereren dat Luis Buñuel eigenlijk homoseksuele gevoelens had.
‘Ach, er is zoveel beweerd over zijn films. Neem nou de gestreepte stropdas van de hoofdpersoon in Un chien andalou. In de tijd
dat mijn vader met die film bezig was, vroeg hij ’s ochtends aan mijn moeder: “We hebben een stropdas nodig, koop er even eentje.” Wat er daarna allemaal is geschreven over de betekenis van die strepen! Mijn vader zei altijd: “Kijk uit voor critici en filmjournalisten. Je krijgt altijd de slechtste op je dak als het over film gaat”.’
Gijs Mulder is hispanist en Buñuel-kenner. De tekst is een ingekorte voorpublicatie uit de interviewbundel Buñuel
over Buñuel die op 8 mei in het Filmmuseum wordt gepresenteerd.
Van Juan Luis Buñuel vertoont het Filmmuseum op 10 mei (met inleiding van de van de maker) en 21 mei de
documentaires Calanda en Calande: 40 años después.
Biografie Luis Buñuel
Luis Buñuel (1900-1983) werd geboren als zoon van bemiddelde Spaanse landeigenaren. Tijdens zijn studietijd in Madrid ontmoette hij de dichter Federico García Lorca en Salvador Dalí, met wie hij in 1928 het geruchtmakende surrealistische Un chien
andalou maakte, twee jaar later gevolgd door de eigenzinnige, subversieve film L’âge d’or. In de jaren dertig werd Buñuel door
geldgebrek, censuur en de Spaanse burgeroorlog in zijn werk als regisseur gehinderd. In 1938 vertrok Buñuel naar Hollywood.
Na verschillende klussen voor Warner belandde Buñuel in 1946 in Mexico, waar hij een groot aantal films maakte, met als hoogtepunten Los olvidados (1950) en Nazarín (1959). Halverwege de jaren zestig ging hij in Frankrijk samenwerken met producent
Serge Silberman en scenarioschrijver Jean-Claude Carrière. Dit leidde tot een nieuwe productieve periode met films als Belle de
jour (1967) en Le charme discret de la bourgeoisie (1972).